
GMI-Techniek
Met GMI volgen we via echografie de ontwikkeling van spek en spier tijdens dracht en lactatie, volgens de ABZ-normen.
Voor moderne zeugen is het grootbrengen van een groot aantal biggen ware topsport. Dat betekent dat ze ook gevoerd moeten worden als topsporters. Hoewel er voernormen voor verschillende zeugengenetica beschikbaar zijn, blijkt in de praktijk dat er niet altijd optimaal wordt gevoerd. En dat zie je terug in tegenvallende resultaten. Elk bedrijf is anders en de werkelijke behoefte van een zeug wordt bepaald door veel bedrijfsspecifieke omstandigheden.
Om voor een individuele zeug te bepalen wat de juiste nutriëntbehoefte is, heeft ABZ de Gen Massa Index (GMI) ontwikkeld. Met GMI kunnen we door middel van echografie de aanzet en afbraak van spek en spier gedurende de dracht en lactatie heel precies volgen en vergelijken met de normen die ABZ hiervoor heeft ontwikkeld. We beginnen zelfs al in de opfokperiode, omdat daar de basis ligt voor een hoge levensproductie en een duurzame zeug.
Nutriëntbehoefte in kaart
Door specifiek te kijken naar de spek- en spieraanzet en -afbraak over meerdere cycli heen, kunnen we de nutriëntbehoefte én de verhouding tussen nutriënten beter afstemmen op de zeugen in de stal. Dat betekent een hogere voerefficiëntie.
Uit ons praktijkonderzoek blijkt dat het preciezer invullen van de nutriëntbehoefte in kritieke fases, zoals aan het einde van de dracht, zorgt voor een betere ontwikkeling van de ongeboren biggen. Dit resulteert in meer grootgebrachte biggen van goede kwaliteit.
Daarnaast kunnen we de zeug hiermee beter ondersteunen in belangrijke fases, zoals tijdens de lactatie en tijdens het herstel aan het begin van de dracht. Hierdoor brengt ze de biggen makkelijker groot, heeft ze een betere bevruchting voor de volgende dracht en gaat ze meer worpen mee.

